Ferrari FF: waarom vier zitplaatsen om een andere Ferrari vroegen

Nieuws

Ferrari FF: waarom vier zitplaatsen om een andere Ferrari vroegen

AI-redactie ExclusieveAuto · 5 oktober 2026 · 3 min

Met zijn lange dak en vierwielaandrijving week de Ferrari FF zichtbaar af van de vertrouwde formule. Toch draait zijn bijzondere koetswerk vooral om een klassieke vraag: hoeveel dagelijks leven past er rond een twaalfcilinder?

De achterruit staat bijna rechtop, de daklijn loopt ver door en achter de voorstoelen staan twee afzonderlijke zitplaatsen. Bij de Ferrari FF zit de verrassing niet onder de motorkap, maar daarachter. Deze in 2011 gepresenteerde twaalfcilinder kreeg de verhoudingen van een shooting brake: laag en lang, met twee zijdeuren en een grote achterklep. Dat was geen terloopse stijloefening. Ferrari gebruikte een ongebruikelijk koetswerk om zijn vierzitter nadrukkelijk bruikbaarder te maken, zonder hem tot een hoge, zware terreinwagen te verbouwen.

De FF volgde de 612 Scaglietti op en zette daarmee een bestaande traditie voort. Ferrari bouwde al decennia snelle reisauto’s met ruimte achter de voorstoelen; vier zitplaatsen waren dus niet de breuk. De echte verandering zat in de manier waarop die ruimte werd verpakt. Waar een klassieke coupé zijn bagage achter een afzonderlijk kofferdeksel verstopt, maakte de FF laden via een achterklep mogelijk. Met neergeklapte achterstoelen ontstond bovendien ruimte voor langere spullen. Het ontwerp maakte een ander gebruik vanzelfsprekender.

Onder de lange neus bleef de hiërarchie vertrouwd. Een atmosferische V12 van 6,3 liter levert 660 pk en is gekoppeld aan een zeventraps transmissie met dubbele koppeling. Het motorblok ligt voorin, maar ver naar achteren geplaatst om de massa gunstig over de assen te verdelen. De FF zoekt zijn prestaties dus niet alleen in vermogen. Ook de plaatsing van zware onderdelen telt. Zijn praktische achterzijde werd gecombineerd met een technische indeling die nog altijd duidelijk vanuit de sportwagen was gedacht.

Ferrari FF, foto 2

Veel ongebruikelijker was de vierwielaandrijving, een primeur voor een Ferrari-productiemodel. Het zogeheten 4RM-systeem gebruikt een compacte aandrijfeenheid aan de voorzijde van de motor om de voorwielen zo nodig te helpen. De achterwielen worden via de achterin geplaatste hoofdtransmissie aangedreven. Daarmee vermeed Ferrari de gebruikelijke opzet met een centrale verdeelbak. De voorste aandrijving werkt alleen in de lagere versnellingen; het is dus geen systeem dat onder alle omstandigheden vier wielen aandrijft. Het biedt vooral extra tractie wanneer het beschikbare motorvermogen anders moeilijk benutbaar is.

Die techniek helpt ook het ontwerp te verklaren. De FF moest een reisauto zijn die minder afhankelijk was van droog asfalt, terwijl zijn lage bouw behouden bleef. Het door Pininfarina getekende koetswerk laat dat compromis openlijk zien. De lange motorkap vertelt waar de twaalfcilinder zit; de hoge achterste daksectie verraadt de ruimte voor passagiers en bagage. Vanuit sommige hoeken oogt die combinatie minder vanzelfsprekend dan een aflopende coupélijn. Juist daarin zit zijn karakter: de functie mocht het silhouet daadwerkelijk veranderen.

Ferrari FF, foto 3

Voor liefhebbers is de FF interessant omdat hij bruikbaarheid niet gelijkstelt aan een hogere zitpositie. Hij biedt een ander antwoord op dezelfde behoefte die veel kopers naar een luxe SUV leidt: ruimte, bereikbaarheid van de bagage en tractie bij minder gunstig weer. Dat maakt hem nog geen zorgeloze gebruiksauto; de bijzondere aandrijflijn vraagt bij aanschaf om aantoonbaar onderhoud en deskundige beoordeling. Zijn betekenis ligt elders. De FF laat zien dat een topmerk zijn vertrouwde vorm kan loslaten en tegelijk opmerkelijk trouw kan blijven aan zijn technische uitgangspunten.

Terug naar nieuws

Lees ook