Ferrari FF: waarom een lange daklijn om andere techniek vroeg

Nieuws

Ferrari FF: waarom een lange daklijn om andere techniek vroeg

AI-redactie ExclusieveAuto · 4 oktober 2026 · 3 min

Met vier zitplaatsen, een grote achterklep en vierwielaandrijving gaf Ferrari de twaalfcilinder-GT een ongebruikelijke vorm. De FF laat zien hoeveel technische inventiviteit nodig is om bruikbaarheid toe te voegen zonder het karakter te verliezen.

Het opvallendste aan de Ferrari FF is niet zijn lange motorkap, maar wat er achter de voorstoelen gebeurt. De daklijn loopt door naar een forse achterklep, met daaronder ruimte voor bagage en twee afzonderlijke achterzitplaatsen. Bij zijn introductie in 2011 maakte dat hem tot een ongewone verschijning tussen de sportwagens uit Maranello. Deze Ferrari vroeg niet alleen hoeveel snelheid een twaalfcilinder kon leveren, maar ook hoeveel dagelijks leven er rond die motor paste.

Ferrari had natuurlijk al een lange traditie van auto's met een voorin geplaatste twaalfcilinder en extra zitplaatsen. De FF volgde de 612 Scaglietti op, maar koos nadrukkelijk een andere verpakking. Zijn shooting-brakekoetswerk combineert twee lange portieren met een verder doorgetrokken dak en een grote laadopening. Daardoor veranderde niet alleen het silhouet: ook de toegang tot de bagageruimte werd praktischer. De achterpassagiers bleven wel afhankelijk van naar voren geklapte voorstoelen. Bruikbaarheid kreeg dus voorrang, maar niet op iedere ontwerpkeuze.

Onder de motorkap bleef de hiërarchie vertrouwd. De atmosferische V12 van 6,3 liter levert 660 pk en is gekoppeld aan een zeventraps transmissie met dubbele koppeling. Zonder turbo's hangt zijn vermogensopbouw sterk samen met het toerental; de motor vormt daarmee een wezenlijk ander middelpunt dan een krachtbron die vooral op veel trekkracht bij lage toerentallen leunt. Ferrari plaatste de motor ver naar achteren in de neus en de versnellingsbak bij de achteras, om de massa gunstig over de auto te verdelen.

Ferrari FF, foto 2

De echte technische breuk zat bij de voorwielen. De FF was Ferrari's eerste productiemodel met vierwielaandrijving, maar kreeg geen conventionele aandrijflijn met een centrale verdeelbak. Het zogeheten 4RM-systeem gebruikt een compacte tweede transmissie aan de voorkant van de motor. Die kan via afzonderlijk geregelde koppelingen aandrijfkracht naar de voorwielen sturen wanneer extra tractie nodig is. Deze hulp is beschikbaar in de eerste vier versnellingen van de hoofdtransmissie; daarboven blijft de aandrijving achter. Zo beperkte Ferrari het extra gewicht en bleef het uitgangspunt dat van een achterwielaangedreven GT.

Het door Pininfarina getekende koetswerk maakt die verbreding van het gebruiksgebied zichtbaar. De lange neus verwijst naar de klassieke twaalfcilinder-Ferrari, terwijl de hoge achterzijde vooral ruimte moet scheppen. Dat levert een minder vanzelfsprekend profiel op dan een laag aflopende coupé, maar juist daarin schuilt de betekenis van de FF. Zijn vorm laat de praktische concessies zien in plaats van ze weg te werken. Voor liefhebbers is hij daardoor een interessant alternatief: een uitgesproken sportieve auto die ook langere reizen met meerdere inzittenden serieus neemt.

Ferrari FF, foto 3

Wie de FF als gebruiksauto of liefhebbersauto bekijkt, moet die veelzijdigheid wel onderscheiden van eenvoud. De extra transmissie en regeltechniek maken een zorgvuldige onderhoudshistorie en deskundige inspectie belangrijk; meer mogelijkheden betekenen ook meer techniek om te beoordelen. Bovendien maken vier aangedreven wielen geschikte banden niet overbodig en verbeteren ze niet vanzelf de remweg op glad wegdek. De kracht van de FF zit uiteindelijk in zijn heldere keuze: Ferrari behield de atmosferische twaalfcilinder als kern en veranderde vrijwel alles eromheen om die motor een ruimer inzetgebied te geven.

Terug naar nieuws

Lees ook